maandag, 26 maart 2018

Anneke Verbraeken en Myrthe Verweij reisden naar Benin met financiële steun van het Postcode Loterij Fonds voor journalisten. Lees het verslag dat ze schreven over de zoektocht naar yellow cake; uranium dat na het delven chemisch wordt bewerkt. 

29 maart 2016

Collega Myrthe Verweij stuurt me een mail over een afspraak. In de PS staat: ‘Oh ja, hoorde dat Nederland bezig is met ontwikkelingsgeld de haven in Cotonou op te knappen, zodat Frankrijk door kan gaan met het exporteren van omstreden uranium naar Frankrijk. Misschien samen iets mee doen?’ Ik las de mail in Benin; ik gaf daar een paar weken les in onderzoeksjournalistiek aan de universiteit voor audiovisuele media in Cotonou. Vond het een interessant idee, maar had niet echt de tijd om er achteraan te gaan. Ik vroeg zo hier en daar aan Beninoise journalisten of zij wat wisten, maar die haalden hun schouders op. De haven, oef, dat was gevaarlijk gebied. Daar kwam je niet zomaar in.

Het leek mij wel wat. Myrthe is een documentairemaakster, ik een schrijver en omdat ik vaak alleen werk, ook een soort van fotograaf en cameravrouw. Ik denk dat we elkaar goed aanvullen. Myrthe is gespecialiseerd in milieu-onderwerpen en ik ken Benin heel goed. Dus antwoord: ‘Ja, lijkt me leuk.’

Ik gebruik enkele vrije uurtjes en de wankele internetverbinding om wat meer te weten te komen en vind berichten uit 2010 dat uraniumtransporten gevaarlijk zijn vanwege gammele vrachtwagens en slecht gesloten containers. Ook zou in de haven het uranium naast katoen en voedsel worden opgeslagen. Bij ons gaan alle rode alarmlampen af. Dit kan een heel mooi verhaal worden.

Overzichtsfoto haven Cotonou

Foto: Overzichtsfoto haven Cotonou

Mei 2016

Myrthe en ik besluiten twee lijnen te onderzoeken: de rol van Nederland in het opknappen van de haven en de ongezonde en gevaarlijke uraniumtransporten vanuit Niger. Omdat uranium een gevoelig onderwerp is, besluiten we voortaan te mailen via Proton en te sms’en via Threema. Beide apps zouden andere ogen moeten buitensluiten. We krijgen het allebei heel druk en het project wordt in de wachtkamer gezet, al gaan we wel door met het verzamelen van informatie. Ook proberen we journalisten in Frankrijk en Duitsland te interesseren voor het project. We weten op dat punt nog niet naar welke Europese haven het uranium wordt verscheept. Het kan naar Duitsland gaan, maar ook rechtstreeks naar Frankrijk.

De belangrijkste informatie zetten we in google docs en Myrthe maakt een Excel sheet, met alle belangrijke bronnen. Zij is daar heel consequent in. Ik hou voor mezelf wel de bronnen bij, maar vergeet ze vaak over te zetten.

De tweede lijn, het uraniumtransport van de mijn Arlit in Niger, naar de opwerkingsfabriek in Frankrijk, lijkt veelbelovend. We leren dat het gaat om yellow cake; uranium dat na het delven chemisch wordt bewerkt. We leren ook de twee grote Franse spelers kennen: de bedrijven Bolloré, verantwoordelijk voor het uranium in de haven en Areva die het uranium delft en verantwoordelijk is voor het transport.

We gaan steeds meer denken dat het een prachtige docu kan worden met een duidelijke kern: grote internationals als slechteriken die de arme Afrikaanse bevolking in gevaar brengen.

Augustus 2016

Eind augustus hebben we zoveel informatie vergaard dat we kunnen werken aan een subsidieaanvraag voor journalismfumd.eu. Onze hypothese: de transporten vanuit Niger, door Benin zijn gevaarlijk (met name longziekten) voor iedereen die er mee te maken krijgt. Daarnaast vormt ook de opslag in de haven een gevaar voor de volksgezondheid, omdat het uranium wordt opgeslagen naast andere goederen en levensmiddelen.

Ik ga weer naar Benin om een paar weken les te geven, en knoop er een week bij om onderzoek te doen. Ik ga naar de haven, want het is harstikke belangrijk dat we met eigen ogen kunnen zien of het waar is dat uranium naast levensmiddelen wordt opgeslagen. De deur blijft echter hermetisch gesloten. Ik klop aan bij het ministerie van Transport, maar die geven me telkens een ander telefoonnummer. Een goed staaltje kastje en muur. Ik vraag een gesprek aan met de directeur van de treinmaatschappij die vroeger het uranium vervoerde, maar dat antwoord moet nog steeds komen. Ik leg mijn vraag in de week bij goede vriend en collega Alberique Houndjo. We maakten hem verantwoordelijk voor ons onderzoek in Benin, maar ook hij krijgt weinig boven tafel. Voor mij weer opnieuw het bewijs hoe rampzalig moeilijk het vaak is om in Sub Sahara-landen concrete informatie in handen te krijgen.

Oktober 2016

Tijdens het invullen van de aanvraag van journalism.eu kom ik erachter dat er twee media moeten zijn in twee verschillende landen die willen publiceren of uitzenden. We hebben als de sodemieter twee zogenaamde letters of intent nodig. Myrthe brengt uitkomst. Zij heeft goede contacten met Eenvandaag en het tijdschrift van Milieudefensie, Down to Earth. Van hen krijgen we bijna per omgaande een intentieverklaring. Maar tot onze grote teleurstelling blijkt het niet genoeg. Ze vinden ons idee heel goed, maar het fonds eist een intentieverklaring van een ander medium in het buitenland dat de documentaire wil uitzenden of publiceren. Voor het fonds tellen de Afrikaanse kranten niet. Hoe komen we aan een ander medium als je geen contacten hebt in het buitenland? We komen er niet uit.

17 november 2016

We hebben op het ministerie van Buitenlandse Zaken een skypegesprek met de ambassade in Cotonou. Ter voorbereiding hebben we veel informatie over de aanbesteding door Nederland voor het maken van het masterplan doorgepluisd. Onze vragen hebben we van tevoren gestuurd, om zo efficiënt mogelijk te kunnen werken. Jaap Jan Speelman van de Nederlandse ambassade geeft uitgebreid antwoord. Hij vertelt dat Nederland gevraagd is een masterplan te maken voor de haven. Er is – na aanbesteding - opdracht gegeven aan twee Nederlandse bedrijven, voor een bedrag van 1,5 miljoen euro. Dit komt uit het budget van toenmalig minister Ploumen. Met dit gesprek loopt onze eerste lijn zo ongeveer dood. Er lijkt niets te gebeuren dat het melden waard is, al willen we het verhaal van Speelman nog wel checken. De bedrijven willen echter niet meewerken aan een interview. We zijn aangewezen op openbare informatie. Uiteindelijk wordt het masterplan gepresenteerd in september 2017.

We vragen ook naar de uraniumtransporten. Speelman vertelt onder meer dat de uraniumtransporten volgens zijn informatie een keer per maand plaatsvinden en dat het uranium er hoogstens een week in de haven wordt opgeslagen.

In november gaat ook een subsidieverzoek de deur uit naar het Postcode Loterij Fonds voor journalisten van Free Press Unlimited. Dat vindt ons idee subsidiewaardig en we ontvangen in februari 2017 5.000 euro. We kunnen aan de slag!

Februari - maart 2017

Omdat we het allebei ontzettend druk hebben, besluiten we onze reis naar Benin uit te stellen tot augustus. Ik gebruik een reis naar Benin om verder onderzoek te doen. Ik ga voor PUM (een organisatie waar voormalig managers hun expertise vrijwillig ter beschikking stellen aan het MKB in kwetsbare landen) twee krantenredacties adviseren. Ik plak anderhalve week extra aan mijn reis. Ik ontmoet Max van de milieuorganisatie BEES. Hij bevestigt de krantenberichten: in februari was er een ongeluk met een uraniumtransport bij het plaatsje Dassa-Zoumè in Benin. De wagen en de container zouden twee dagen aan de kant van de weg hebben gelegen, voordat er een kraanwagen arriveerde om de auto overeind te takelen. De burgemeester was laaiend en de bewoners bezorgd. Dassa is minstens vijf uur rijden van Cotonou, dus vroeg ik een lokale journalist om de burgemeester te interviewen. De journalist meldde zich snel. De burgemeester gaf geen interviews meer. Hij dacht dat de burgemeester het bevel had gekregen zijn mond te houden en dat de zaak in de doofpot gestopt zou worden. Het ongeluk leverde ons een heel stel nieuwe vragen op: wat als zo’n vrachtwagen kantelde in het oer-drukke Cotonou? Waren er protocollen? En waarom duurde het zo lang voor er een kraanwagen arriveerde? En hoe zat het met de container? Was die nog intact?

Weer probeerde ik een kijkje in de haven te nemen. Volgens Alberique zou ik het beste contact op kunnen nemen met een politieman, die op zijn beurt weer een bevriende onderdirecteur zou contacten, die dan op zijn beurt weer …. Ik belde met de politieman, die beloofde zijn uiterste best te doen. Ik heb nooit meer wat van hem gehoord. Later vertelde Alberique dat de man bang was geworden, en dus was plots iedereen op vakantie en onbereikbaar.

Ik praat ook met mensen die bij de haven en het treinstation wonen. Zij hebben er geen idee van dat vlak langs hun deur yellow cake wordt vervoerd. Ik film op straat de toegang naar de haven, maar wordt al snel door de politie meegenomen naar het bureau. Wat of ik daar deed? Ik geef mijn perskaart en leg uit dat ik bezig ben kenmerkende beelden van Cotonou te filmen en daar hoort ook de poort van de haven bij. Ik ben geen seconde van plan te vertellen dat we onderzoek doen naar de uraniumroute en de opslag van uranium in de haven.

Na een half uurtje sta ik weer op straat en ik zie – de filmtijd is voorbij. Het ochtendlicht is te hard geworden. Toch ga ik nog even voor de vorm verder met filmen; ze moeten niet het idee krijgen dat ze me schrik hebben aangejaagd. Als ik terug in het vliegtuig de balans opmaak, dan weet ik: Max is heel belangrijk. Niet alleen vanwege zijn expertise in milieuvraagstukken, maar ook als een redelijk groot netwerk met ervaren ogen en oren. We kunnen Max zelfs de hoofdrol geven in de documentaire. Via zijn ogen zien we de mijnen in Arlit in Nigeria, rijden we mee met het yellow cake transport en volgen we zijn belevenissen in Frankrijk met het uraniumtransport en de Franse opwerkingsfabriek. We maken een globaal script waarbij we de documentaire laten eindigen met Max, zittend langs de Seine met een helverlichte Eifeltoren op de achtergrond.

Mei 2017

Hoewel het Europese fonds het nog steeds een heel interessant onderwerp vindt, krijgen we weer een ‘nee’. Weer is de letter of intent van een tweede TV-station het struikelblok. Via een Zuid-Afrikaanse collega en vriend hebben we intussen wél bij staatstelevisie SABC een –verplicht omvangrijke- aanvraag ingediend. Maar de toekenning is niet op tijd voor de deadline van de fondsaanvraag. We komen tot de ontdekking dat buitenlandse TV-stations zo’n intentieverklaring bloedserieus nemen. Mijn Zuid-Afrikaanse collega moet het idee zelfs pitchen in Johannesburg voor een zevenkoppige jury van SABC!

Economische hoofdstad Cotonou

Foto: Economische hoofdstad Cotonou

Augustus – september 2017

We vergaren steeds meer informatie, maar de collega’s uit Benin en Niger laten ons wat in de steek. Lees: we horen niets meer van ze; ook niet als we hen direct naar resultaten vragen. Alleen van Alberique krijgen we informatie, maar die klopt niet met het beeld wat we ons tot nu toe gevormd hebben. Hij heeft met twee voormalige directeuren gesproken van de treinmaatschappij die vroeger het uranium vervoerde en die beweren dat het gaat om een modern transport dat goed beveiligd wordt.

Hè? Modern? Goed beveiligd? Daarvan kan geen sprake zijn. Maar Alberique houdt voet bij stuk. Omdat dit onze hypothese aan het wankelen brengt, besluiten Myrthe en ik dat ik alleen naar Benin ga, om te zien wat er werkelijk aan de hand is met de transporten. Het heeft geen zin met zijn tweeën af te reizen met veel camera’s als alles helemaal gladjes verloopt.

In Benin ben ik vastbesloten toegang te krijgen tot de haven. Ik heb een fantastische fixer gevonden met stevige contacten en voor ik het weet zit ik in het kantoor van de onderdirecteur. Hij vertelt dat het uraniumtransport zwaar wordt beveiligd en dat het in de haven direct wordt overgeladen op een boot. De autoriteiten willen het spul geen minuut langer in de haven dan noodzakelijk, Nigeria is niet ver weg en terroristen van Boko Haram zouden weleens van de gelegenheid gebruik kunnen maken. Daarom ook is het konvooi goed beveiligd en wordt er ’s nachts niet gereden. Hij is alleraardigst, belooft me alle medewerking. Ik moet maar laten weten wanneer ik een rondleiding wil. Toch besluit ik eerst naar Parakou af te reizen. Dat is de woonplaats van Alberique én overnachtingsplaats van de uraniumtransporten.

De busreis van Cotonou naar Parakou duurt zo’n negen uur en geeft me alle gelegenheid om de conditie van de weg te controleren. Het is namelijk dezelfde route die de uraniumtransporten nemen. De weg is zeker de eerste drie uur van een uitstekende kwaliteit, het asfalt is gloednieuw. Daarna zijn er soms zanderige gedeelten, of gedeelten met veel kuilen en hobbels, maar zeker niet onneembaar voor een vrachtwagen. Weer een hypothese naar de knoppen. Maar misschien dat de weg van Parakou naar de grens heel slecht is, denk ik hoopvol.

Weg tussen Cotonou en Parakou

Foto: Weg tussen Cotonou en Parakou

De parkeerplaats is een enorm, met onkruid overgroeid terrein van een oude treinmaatschappij. De hangars zien er vervallen en verlaten uit. Symbolisch staan hier en daar wat hekken en is er een toegang met afbladderende slagbomen. Maar in feite heeft iedereen hier vrije toegang. Veel mensen gebruiken het terrein om hun weg af te snijden.

Met mijn pencamera in de hand –niemand heeft door dat dit een camera is- praten we met een oude meneer. Hij zegt van de bewakingsdienst te zijn. Nee, hij heeft nog nooit een uraniumtransport gezien hier. We vragen het hem wel tien keer, op tien verschillende manieren, maar nee hoor, hier parkeert ’s nachts geen uraniumtransport.

De parkeerplaats in Parakou

Foto: De parkeerplaats in Parakou

We praten ook met de wethouder die gaat over het milieu in Parakou. Nee, hij wordt niet van tevoren ingelicht over uraniumtransporten. En nee, de stad heeft geen protocol in geval er een ongeluk plaatsvindt. Spijtig ja, maar dit is iets van de landelijke overheid. Die heeft afspraken met Niger gemaakt.

De volgende dag vertrekken we naar grensplaats Malanville met de taxi. Een rit van een uur of vijf. Maar de taxi is oud en houdt er halverwege mee op. Het geeft me de tijd om te zien wat er langs de weg gebeurt: alles staat in dienst van vrachtwagens en auto’s. Er zijn openlucht garages, bandenverkopers, kroegjes, gereedschapswinkels. Na anderhalf uur kunnen we verder. Ook de weg tussen Parakou en Malanville verkeert niet in de slechte conditie die we gedacht hadden.

Malanville

In Malanville staat een geheel nieuwe –stevig ommuurde – grenspost. Er is een speciale gendarmerie en een van de officieren wil wel met ons praten. Hij zegt dat er elke maand een konvooi is, dat die bestaat uit zo’n twintig vrachtwagens en een sleepwagen. Het konvooi wordt begeleid door soldaten uit Niger en gendarmes uit Benin. We kijken elkaar aan. Dus toch. Een goed beveiligd konvooi.

Of het om oude of nieuwe vrachtwagens gaat durft hij niet te zeggen. Wel dat alles van tevoren helemaal is geregeld; het konvooi hoeft geen grensformaliteiten te vervullen. Onderweg wordt twee keer overnacht: een keer in Niger, vlakbij de grens en een keer in ….Parakou. Hè? Weet hij dat zeker? En we vragen het hem tien keer, op tien verschillende manieren. Hij weet het zeker. Hij weet ook zeker dat de avond voor het konvooi de grens passeert, hier bij de gendarmes enkele hoge heren logeren. Hij zal ons bellen als ze weer komen.

Grensovergang

Als we de volgende dag weer in Parakou zijn, rijden we direct door naar het parkeerterrein. Dit keer zit een groepje oude mannen uit een ijzeren pot te eten. Als we heel direct vragen naar de uraniumtransporten –we zijn inmiddels alle gene voorbij- staat een van hen op. Hij is de baas van de bewaking zegt hij. Ja, elke maand overnacht hier het konvooi, hoewel, vorige maand had hij ze niet gezien. Dacht hij. En ja, het wordt begeleid door militairen.

’s Nachts lig ik te woelen in mijn hotelbedje. Het lijkt erop alsof ik ons verhaal langzaam maar zeker aan het dood onderzoeken ben. Wel zijn het steeds de autoriteiten die bevestigen dat alles goed gaat. Navraag bij bewoners langs de route leert dat eigenlijk niemand die konvooien ziet. Twintig trucks met een militair escorte zie je niet zomaar over het hoofd.

Weer terug in Cotonou krijg ik een uitgebreide rondleiding door de haven. Die is de afgelopen jaren met veel geld van de Amerikanen opgeknapt, zo vertelt de gids. De wegen zijn bestraat, de meeste terreinen zijn ommuurd. Alles lijkt redelijk georganiseerd. Natuurlijk zie ik niet de dingen die ze niet willen dat ik zie, zo blijft bijvoorbeeld het achterste gedeelte van het terrein verboden gebied. Wat me wel gevaarlijk lijkt zijn de enorme opslagtanks voor olie, midden op het terrein en dus ook midden in de stad. Mijn gids bevestigt het verhaal van de onderdirecteur: het konvooi wordt direct doorgelaten en naar de boot begeleidt die al op het uranium ligt te wachten. Er wordt geladen en direct erna vertrokken. Niks opslag, niks parkeren in de straten van Cotonou, zoals de andere vrachtwagen, die in een lange rij moeten wachten voor ze het haventerrein op kunnen rijden.

’s Avonds op een feestje van een Nederlandse expat krijg ik van een Belgisch chemicus de laatste slag. Yellow cake is helemaal niet gevaarlijk. Het is een compacte substantie die niet kruimelt of vervliegt. Het is geen stof die in je ogen kunt waaien of die je inhaleren. Mijn hemel, had iemand ons dat niet eerder kunnen zeggen? NERGENS staat dit in de informatie die we vanuit alle hoeken en gaten hebben verzameld.Of de duivel ermee speelt, de volgende avond wordt het verhaal van de chemicus bevestigd door een hotelgast waarmee ik aan de praat raak. Hij is havenspecialist en adviseur bij Bolleré. Het valt wel mee met de gezondheidsgevaren van Yellow Cake. Zelfs terroristen zouden het spul niet zomaar kunnen gebruiken.

Maar wat zei ik daar? Had ik een berg gele korrels gezien bij het treinstation in Parakou? Had ik daar een foto van? Ik laat hem de foto zien. Maar … maar …, dat is zwavel. Dat is pas gevaarlijk! Inmiddels is ook een nieuwe aanvraag naar het journalism.eu fund verstuurd, mét de letter of intent van het Zuid-Afrikaanse tv-station. Na het gesprek met de hotelgast neem ik een stevige whiskey en tik een rapport voor Myrthe. Wat moeten we doen? 

Wordt vervolgd

Zwavelberg midden in Parakou bij het treinstation

Foto: Zwavelberg midden in Parakou bij het treinstation. Kleine korrels zwavel liggen tot in de verre omtrek. Zwavel draagt bij aan de verzuring van bodem en grondwater; het is schadelijk voor de gezondheid (zure regen). Het inademen van zwavel als fijnstof is eveneens schadelijk voor de gezondheid.