maandag, 10 december 2018
Op 10 december herdenken we het 70 jarige bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Free Press Unlimited herdenkt in het bijzonder Artikel 19, die ons recht op vrijheid van meningsuiting garandeert. Tere ere hiervan organiseerde wij samen met Amnesty International, het College voor de Rechten van de Mens, het Humanistisch Verbond en de Nationale Unesco Commissie een herdenking in de Domkerk in Utrecht. Hier gaf Ernst Hirsch Ballin, hoogleraar rechten van de mens aan de Universiteit van Amsterdam en universiteitshoogleraar aan Tilburg University deze inspirerende speech. 

De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt zag het goed, toen hij in 1941 zijn Four Freedoms speech hield: vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van vrees. Hieruit is – met inbreng van vele kanten – de Universele Verklaring voortgekomen, later gevolgd door juridisch bindende verdragen. De vrijheid zich uit te spreken heeft in veel landen mensen geholpen andere vrijheden te verwerkelijken, in hun meest dierbare overtuigingen zichzelf te zijn en uitbuiting te bestrijden. 

Onmisbaar is de afweer tegen het aanjagen van angst, die een vrije samenleving ten diepste onmogelijk maakt. Nu autoritaire machthebbers, die zelf “geen blad voor de mond nemen”,  in vele continenten mensen monddood proberen te maken wanneer zij zich tegen hen uitspreken, is het belangrijk erbij stil te staan hoe en hoe sterk de rechten en vrijheden in de realiteit van het leven met elkaar samenhangen.

Artikel 19

Eenieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.

Herdenkingen van historische gebeurtenissen kunnen iets feestelijks hebben: dankbaar voor de weg die men eertijds is ingeslagen, opgewekt verder. Maar ze kunnen ook een gevoel van ongemak oproepen: hebben we ervan gemaakt wat we ervan hadden kunnen maken, moeten maken? Ook zeventig jaar Universele Verklaring van de rechten van de mens roept zulke tegenstrijdige gevoelens op. Na 1948 is de Verklaring uitgewerkt in een netwerk van juridisch precieze verdragen, waaraan vrijwel alle staten ter wereld zich hebben gebonden. Maar wie oog heeft voor de realiteit – zoveel onderdrukking en noden, zoveel landen waarin mensenrechtenverdedigers monddood worden gemaakt, of dood – moet onder ogen zien dat voor de universele verwerkelijking van de rechten van de mens heel veel meer nodig is dan verdragen.

1948

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens was een poging een brug te slaan over de troebele wateren van de wereld in 1948. In zijn Four Freedoms Speech had de Amerikaanse President in 1941, nog voordat zijn land de wapens opnam tegen Nazi-Duitsland, contouren geschetst van de wereld na de oorlog: vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van vrees. Vier vrijheden die niet los van elkaar kunnen worden verwezenlijkt, vier vrijheden die nodig zijn om de mensheid in vrede en vrijheid te laten leven. Aan elk daarvan voegde hij met nadruk toe: everywhere in the world, woorden die hij met de hand had bijgeschreven in het concept van zijn toespraak. ‘Overal ter wereld’, niet alleen in het eigen land.

Aan het idealisme om na de Tweede Wereldoorlog zo’n wereldorde op te bouwen werd mee gestalte gegeven door Eleanor Roosevelt, de weduwe van de president in oorlogstijd, en mensen uit andere landen en culturen.

Mensen met eigen herinneringen aan 1948 zijn er niet meer in grote aantallen. Toch is dat jaar ook als persoonlijke ervaring nog voor velen nabij, ook voor mij, al was ik er toen nog niet, zelfs niet embryonaal. Maar wat ik wel weet, is hoezeer de overlevenden van holocaust, verzet en bevrijding hun hoop richtten op een betere wereld voor volgende generaties. Mijn vader was een van hen, onder andere dankzij de hulp van mensen hier in Utrecht, waar hij schuilde onder een valse naam. Na de Bevrijding kreeg hij gelukkig niet de inhumane boodschap dat Duitsland nu weer een veilig land was geworden waarheen hij kon terugkeren. Hij trouwde met de katholieke Amsterdamse, een van degenen was die hem hadden geholpen te overleven, en ging – nog staatloos – met haar naar Parijs, door de eeuwen heen het Europese brandpunt van ideeën en idealisme. Daar was het waar de UNESCO zich richtte op de versterking van de rechten van de auteur, die als een persoonlijkheidsrecht deel uitmaakten van de bescherming van de waardigheid van iedere mens.

In de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, bijeen in Parijs vandaag zeventig jaren geleden, behoorde Nederland tot de 48 voorstemmers voor de Universele Verklaring in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. De communistische staten onthielden zich, evenals Zuid-Afrika en Saoedi-Arabië. Het was de tijd van een nieuw begin, maar ook van grote zorgen over de harde repressie in het door de Sovjet-Unie gecontroleerde Midden- en Oost-Europa. In februari was met een communistische staatsgreep aan de democratie in Tsjecho-Slowakije een eind gemaakt; Jan Masaryk werd uit het raam van zijn ministerie geworpen.

De Nederlandse steun voor de Universele Verklaring was ongeclausuleerd, ook al erkende de regering dat Nederland nog niet volledig aan de verklaring voldeed. (Anders dan bij het huidige Global Compact for Safe, Orderly and Regular Migration had de regering destijds geen behoefte om bij de aanvaarding van de verklaring een verklaring af te leggen dat deze geen verdrag is, maar een verklaring, noch om te onderstrepen dat de verklaring de soevereiniteit van de staten onaangetast liet. Soevereiniteit werd nog zonder terughoudendheid opgevat als oppermacht van de staat, ook in de koloniën. Grote delen van de wereld waren nog Europese koloniën. Negen dagen na de aanvaarding van de Universele Verklaring begon Nederland de Operatie Kraai, als onderdeel van de politionele acties in Indonesië, gericht op de arrestatie van het leiderschap van de Republiek Indonesië. In retrospectief kunnen we zeggen dat de aanvaarding van de Universele Verklaring het breekijzer heeft gezet in een verstard denken in nationale staten zonder externe verantwoordelijkheid.

De werking van de vrijheid van meningsuiting

De verwerkelijking van de rechten van de mens kan niet los van haar context worden gezien, politiek, cultureel en economisch. Dat geldt ook voor de vrijheid van meningsuiting. Mensenrechten zijn een bron van idealisme, van inzet niet alleen voor eigen belangen, maar ook van die anderen wier waardigheid en toekomstperspectieven op het spel staan. Ze zijn ook een mijnenveld van tegenstrijdigheden, zowel in de realiteiten van het samenleven, als in de manier waarop ze ter sprake worden gebracht. De vrijheid van meningsuiting is een dragende pijler van de mensenrechten, een van de vier van Roosevelts visionaire toespraak, maar losgemaakt van haar fundamenten en het samenbindende doel kan ze ook worden gebruikt om anderen te bedreigen en uit te sluiten van het samenleven. In 1948 was de herinnering aan de Nazi-propaganda nog vers; mijn generatie heeft de gevolgen gezien van de boodschappen die Radio Mille Collines in Rwanda verspreidde, en vorige week bleek uit het jaarrapport van het Verwey-Jonker Instituut een afname van, maar ook een gewenning aan discriminerende uitingen zoals antisemitische retoriek, islamofobie en andere op groepen betrokken oproepen tot uitsluiting.

De Universele Verklaring sluit af met de verzekering dat geen bepaling in de Verklaring zo mag worden uitgelegd dat men iets zou mogen doen om een van de rechten en vrijheden die in de Verklaring zijn genoemd, te vernietigen (artikel 30). De daarvoor geldende maatstaf is neergelegd in het laatste lid van artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat de Universele Verklaring in juridisch bindende vorm heeft uitgewerkt: de aan dit grondrecht verbonden “plichten en verantwoordelijkheden”. De “verantwoordelijkheid volgens de wet” die volgens onze Grondwet aan de vrijheid van meningsuiting grenzen stelt, houdt twee elementen in: een afwijzing van elke voorafgaande censuur, maar ook rechtsnormen die bescherming bieden tegen smaad, laster of discriminatie wegens wat iemand eigen is, zoals een seksuele identiteit of het behoren tot een etnische of religieuze groep (of wat men daarvoor aanziet). Deze bescherming van de rechten van anderen – individueel dan wel als bevolkingsgroep – moet uiting zijn van een cultuur van tolerantie en mag niet daar tegenin gaan. In haar recente boek over Menschenrechte und Menschenpflichte heeft de winnaar van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel 2018, Aleida Assmann, de “plichten” die bij mensenrechten behoren omschreven als het mogelijk maken van wederzijds vertrouwen door respectvolle omgangsvormen.

Daarmee komt iets in het vizier dat ik hier in het bijzonder wil belichten: de vrijheid van meningsuiting heeft niet alleen betekenis voor degene die zich uit, maar – als kritiek en informatie – ook voor de politieke en maatschappelijke ordening van de samenleving. Ik denk dat het van cruciaal belang is te onderkennen dat de vrijheid van meningsuiting zelf bijdraagt aan de context waarin zij kan floreren: d.i. is binnen een cultuur van respect voor verschillen tussen mensen, een economische orde die mensen bevrijdt uit armoede en honger, en een rechtsorde die beschermt tegen regimes en bendes die ze angst aanjagen. Dat is, in een aangescherpte herformulering, dat waartoe de Four Freedoms oproepen. 

Actuele bedreigingen

Elk van deze vrijheden kan dienen als startpunt voor een verheldering van de samenhang met de andere. De realisering van geen ervan ligt onder handbereik, ook niet wanneer grondwetten de vrijheid van meningsuiting helder omschrijven en wetten daaraan kunnen worden getoetst (wat trouwens in Nederland nog steeds niet het geval is, zodat ook daarom de Europese waarborgen onmisbaar blijven). In de juridische doctrine over de vrijheid van meningsuiting is uiteraard de bescherming tegen beperkingen" cruciaal. Dat betreft niet alleen de afwijzing van censuur, maar ook de voorzienbaarheid en proportionaliteit van verantwoordelijkheid achteraf, omdat die de vrijmoedigheid onder druk kan zetten die bij vrijheid behoort. De druk om op de een of andere manier ‘normaal’ te doen is echter groot. Thomas Bauer heeft gewezen op de tendens in religie en politiek om mensen te dwingen tot een ‘eenduidige’ keuze voor interpretaties van heilige teksten en ‘duidelijke’, niet voor aanpassingen en route vatbare politieke posities.

Geavanceerde informatiesystemen dragen bij aan een verdere normalisering, die weliswaar vooralsnog verschillende opties omvat, maar buitenissigheid uitsluit en het leven van dissidenten bemoeilijkt, doordat ze niet meer in hun groep passen. Degenen die misschien wel het meest lijden onder de strijd tegen ‘moslimfundamentalisme’ zijn degenen die in de islam op zoek zijn naar nieuwe varianten van gelovig participeren in een pluriforme samenleving. Hun freedom of religion staat op het spel, wanneer in de dynamiek van het politieke debat steeds meer druk ontstaat om ‘eenduidig’ positie te kiezen.

Rechters en andere klachtenbehandelende instanties, zoals ons College voor de Rechten van de Mens zijn onmisbaar, maar in de 21ste eeuw komen velen daaraan niet toe omdat de economie van hun bestaan hen heeft geïsoleerd nog voordat ze zich hebben kunnen uiten: hun freedom from want is voor hen nog niet bereikbaar. Samuel Moyn klaagt de gebruikelijke benadering mensenrechten aan voor het verwaarlozen vanm deze essentiële schakel. Uitzichtloze levensomstandigheden kunnen een revolte provoceren, zoals de oproeren die Amsterdam heeft gezien in de decennia die aan de invoering van de sociale wetgeving voorafgingen; of ze kunnen mensen ertoe brengen om met grote persoonlijke risico’s te beginnen aan een tocht als migrant naar een land met meer mogelijkheden. Vaker echter komt hun leven neer op stilstand, en uitsluiting van effectieve participatie. Regimes die optreden tegen opstandige elementen bevestigen dit met het instellen van een noodtoestand, andere politieke machten bedienen zich van stemmingmakerij tegen opponenten of meer verfijnde methodes zoals het herinrichten van kiesdistricten. Zonder freedom from want is een grondwettelijk ‘gewaarborgde’ vrijheid van meningsuiting een illusie. Dit inzicht is essentieel voor wie effectief wil bijdragen aan verbreiding van de idee van de democratische rechtsstaat: ook in Nederland. Westerse populistische bewegingen maken migranten tot zondebok, maar zoeken ook een uitweg uit de economisch uitzichtloze situaties, die hen tot zwijgen hadden gebracht.

Zonder voeding kan niemand spreken en leven. Maar verstikkend werken ook angsten; ze maken een vrije samenleving ten diepste onmogelijk. Dat is de betekenis van de freedom from fear. De bedreiging met opsluiting in een concentratiekamp was al vanaf 1933 een effectief in instrument in handen van het nationaalsocialisme in Duitsland. In onze tijd trachten autoritaire machthebbers, die zelf in hun carrière “geen blad voor de mond namen”, in vele continenten mensen monddood te maken wanneer zij zich tegen hen uitspreken. Het is belangrijk erbij stil te staan hoe en hoe sterk de rechten en vrijheden in de realiteit van het leven met elkaar samenhangen. Vele regimes en gewapende strijdgroepen ontplooien activiteiten waar verfijnde juridische garanties bij verbleken. Er hoeven maar een paar journalisten te worden uitgeschakeld door aanslagen of arrestaties, of angsten worden zo dominant dat van vrije meningsuiting geen sprake meer kan zijn.

Maar ook kan in de ogenschijnlijk geweldloze vorm van publieke vernedering ligt een bedreiging van de vrije meningsuiting. Ute Frevert noemt dit de politiek van de vernedering. ‘Totalitaire regimes organiseren spektakels waarin mensen publiekelijk te schande worden gemaakt, in democratische samenlevingen zijn media – vooral de zogenaamde ‘sociale’ die helemaal niet sociaal zijn – potentiële werktuigen om mensen maatschappelijk buitenspel te zetten en hun uitingsvrijheid te frustreren. Die is in de Westerse wereld, ook in Nederland, inmiddels aan de orde van de dag. Velen zullen zich het tafereel in Steenbergen op 21 oktober 2015 herinneren, toen een vrouw die zich voor vestiging van een asielzoekerscentrum uitsprak, met een bedreigend spreekkoor werd geconfronteerd. Onze tijd, aldus Ute Frevert, ‘heeft de schandpaal niet afgeschaft, maar opnieuw uitgevonden.’ Velen zien daarin nog steeds de bandeloosheid van kroegpraat met andere middelen, maar inmiddels zit er zoveel systeem, aangestuurd of niet, in de elektronische spreekkoren dat er een bedreiging van de vrijheid van meningsuiting zelf van uitgaat.

Dit wijst ons erop hoe nauw de vrijheid van meningsuiting is verbonden met de andere drie van Roosevelts four freedoms. Dat inzicht geeft een antwoord op de bedenkingen die de afgelopen jaren zijn geformuleerd tegen een elitaire juridisering van de rechten van de mens. Deze heeft de schijngestalte aangenomen van een ontmaskering van de rechten van de mens als een westers project dat universaliteit pretendeert. Het probleem met het slechts op klassieke burgerlijke vrijheden gerichte denken is echter juist het ontbreken van een waarachtige universaliteit. Die zou er immers toe noodzaken armoede, honger en andere aspecten van vergaande ontrechting in delen van de wereld mede aan de orde te stellen.

De vier vrijheden (en andere rechten die daarbij aanknopen) zijn als het ware delen van een levend organisme, dat men doodt door er vitale functies uit te snijden, Autoritaire regimes wijzen die samenhang af omdat ze hun machtsaanspraak verstoren (denk aan de leiders die in Turkije, Hongarije en Saoedi-Arabië aan het bewind zijn, maar ook aan Trumps aanvallen op de media). Dat zijn vragen van andere orde dan die over het meer of minder absoluut opvatten van de vrijheid van meningsuiting, waarbij trouwens opvalt dat de protagonisten van de absolute werking vaak vrienden van autoritaire regimes zijn.

Politisering van onderscheidingen is een van hun technieken. Ze kunnen dit geleerd hebben van Carl Schmitt, de jurist die zijn talenten misbruikte om het nationaalsocialistische bewind theoretisch te rechtvaardigen. Al; voordat het zo ver was omschreef hij het politieke als de strijd van vriend en vijand georganiseerd naar om het even welk criterium, “religieus, moreel, economisch, etnisch, of anderszins”. Dit politieke vijanddenken effent de weg voor meerderheden die minderheden monddood willen maken, en zich daartoe democratisch gelegitimeerd achten. Er worden oude beelden gebruikt, zoals complottheorieën, en nieuwe communicatietechnieken, zo bleek bij het wegwerken van de door George Soros gestichte universiteit in Budapest. Het politieke vijanddenken frustreert de gelijkheid en de gelijke bescherming van burgers in de democratische rechtsstaat en stelt daar een strijd tegen of voor etnische of religieus afgebakende groepen voor in de plaats.

Wetenschappelijk staat inmiddels vast dat het classificeren van de mensheid in scherp te onderscheiden groepen niet houdbaar is, maar sociaal zal het ook nooit houdbaar kunnen zijn.  Toch is en wordt het gebruikt als instrument voor drastische maatregelen, zoals beperkende maatregelen die zich specifiek richten tegen ongewenste bevolkingsgroepen – en erger. Artificiële intelligentie kan een instrument worden van totale observatie en classificatie. In ‘autoritaire democratieën’ is dit voor de vrijheid van meningsuiting de bijl aan de wortel: niet alleen wegens de bedreiging zelf, maar ook doordat met behulp van nieuwe technieken zoals big data, mensen kunnen worden vastgenageld aan ‘hun’ groep: elektronische equivalenten van de kledingstukken en emblemen waarmee minderheden zich eertijds herkenbaar moesten maken.

Een constitutionele orde voor iedereen

Een constitutionele orde die voorkomt dat een homogene groep alle macht aan zich kan. trekken, is de beste waarborg voor de vrijheid van meningsuiting. De samenleving is een levend geheel, waarin de ene vitale functie afhangt van de andere. Zo zou ik de relatie willen zien tussen de vrijheid van meningsuiting en de drie andere vrijheden. Vrijheid van meningsuiting heeft een politieke functie en een politieke basis; de democratische rechtsstaat scharniert om haar. Maar daaraan zijn voorwaarden verbonden, zoals een toekenning van de volle burgerlijke rechten aan iedereen die duurzaam van de samenleving deel uitmaakt. Artikel 15 van de Universele Verklaring erkent het recht op staatsburgerschap, maar werkt het nog niet uit. Uitsluitingen van het burgerschap zijn een slecht voorteken voor de bevolkingsgroep die dat treft – in onze tijd bijvoorbeeld de Rohinggya in Myanmar.

Conclusies

Her en der wordt bepleit, na 70 jaar Universele Verklaring de mensenrechten opnieuw uit te vinden: ‘reinventing human rights’. Toch is er niets mis met de verklaring zelf. We mogen echter niet suggereren dat de daarin neergelegde rechten buiten de politiek omgaan. Eerder is het zo dat ze democratische politiek in een rechtsstatelijk kader mogelijk maken. Ze hangen af van een context zonder vrees voor uitsluiting of overgeleverd te zijn aan willekeurig geweld. De finetuning van juridische normen in een geconsolideerde situatie blijft belangrijk, maar niet minder de directe strijd tegen de bedreigers.

De vrijheid van meningsuiting realiseren vergt daarom meer dan een abstracte formulering.  Ze zal alleen kunnen floreren als we op onze hoede zijn en blijven voor bewegingen, regimes en usurpatoren van informatiemacht die de mensheid weer willen indelen in de erkenden en de uitgeslotenen. De heftige reacties op de komst van migranten geven daarvan een voorbeeld. De vrijheid van meningsuiting zal haar werking moeten ontplooien binnen een cultuur van respect voor verschillen tussen mensen, een economische orde die mensen bevrijdt uit armoede en honger, en een rechtsorde die beschermt tegen regimes en bendes die mensen angst aanjagen; en evenzeer is deze vrijheid onmisbaar om voor die andere vrijheden te kunnen opkomen.

De wereld is in de zeventig jaren sinds 1948 veranderd, de bedreigingen van vrijheid van meningsuiting zijn dat ook. Een loskoppeling van sociale rechtvaardigheid en politieke ordening ondermijnt de vrijheid van meningsuiting.

Mensenrechtenorganisaties mogen de strijd tegen honger en armoede niet overlaten aan andere organisaties. Alleen zij aan zij, met de organisaties die deze middag organiseerden, met open oog voor de kwetsbaarsten hier en elders, en met opgeheven hoofd kunnen wij de toekomst aan.